De dubbele moraal

De dubbele moraal

Met de term ‘dubbele moraal’ wordt bedoeld dat wij voor het seksuele gedrag van mannen andere normen hanteren dan voor het seksuele gedrag van vrouwen. Niet alleen in onze eigen maatschappij, maar vrijwel overal zijn vrouwen in seksueel opzicht altijd korter gehouden dan mannen. Meisjes en vrouwen hebben hun seksuele mogelijkheden altijd slechts tot op zeer beperkte hoogte mogen benutten. Zij moesten vooral ‘zuiver’ en ‘onschuldig’ blijven. Jongens en mannen daarentegen werden gestimuleerd ‘zich uit te leven’. Vrouwen werden vaak al voor het geringste seksuele vergrijp gestraft, terwijl mannen een vrij grote seksuele vrijheid genoten.

Tegenwoordig werkt de dubbele moraal grotendeels via indirecte sociale druk, morele indoctrinatie, gedragsregels, gewoonten, manieren en taboes. Vroeger pasten mannen hem op directe wijze toe, door hun vrouw, dochter of zuster te slaan of zelfs te doden wegens ‘onbehoorlijk’ seksueel gedrag.

Ook de wet, door mannen gemaakt, steunde de mannelijke visie en voorzag in strenge straffen voor vrouwelijk overspel en voorechtelijk verlies van de ‘maagdelijkheid’. Een man die overspel had gepleegd en een vrouw had verleid werd alleen gestraft voorzover hij hiermee de rechten van andere mannen had geschaad. De vrouw werd als het bezit van de man beschouwd, dat wil zeggen zij was het eigendom van haar vader, echtgenoot of broers. Dus als de waarde van een vrouw als gevolg van overspel of verleiding was gedaald, moest degene aan wie zij toebehoorde schadeloos worden gesteld. In het oude Israël bijvoorbeeld moest de man die een meisje had verleid aan haar vader ‘geld geven, naar de bruidschat der maagd’ (Exodus 22:17). En zelfs in het Engeland van de vorige eeuw was een man nog gerechtigd om van de man die zijn vrouw had verleid financiële genoegdoening te eisen.

Het is duidelijk dat de dubbele moraal verder gaat dan zedelijk gedrag alleen, het gaat in wezen om iets dat dieper gaat. Dat iets is nog niet zo heel lang geleden gedefinieerd als ‘seksisme’, waarmee wordt bedoeld dat iemands sekse de reden kan zijn om iemand op allerlei manieren sociaal te discrimineren. Moderne voorvechtsters voor vrouwenrechten duiden het fanatiek en onredelijk vasthouden aan mannelijke bevoorrechting ook wel aan met de term ‘mannelijk chauvinisme’ (naar Chauvin, een Franse superpatriot).

Helaas heeft de mannelijke bevoorrechting een lange geschiedenis en ligt het verschijnsel ook nu nog stevig verankerd in onze maatschappijstructuur. Oorspronkelijk gaf de dubbele moraal voor seksueel gedrag de werkelijke situatie weer, waarin de man in economisch, wettig en seksueel opzicht de vrouw vrijwel volledig in zijn macht had. Een maatschappij werd dusdanig samengesteld dat de vrouw afhankelijk was van de man, die alle belangrijke beslissingen nam. Mannen hadden de macht in de politiek, de kerk en de kunst, terwijl vrouwen zich tot het huishouden moesten bepalen en in staatszaken geen stem hadden. Men leefde in een sociaal systeem dat patriarchaat werd genoemd (Grieks, letterlijk: ‘vaderbestuur’).

Inmiddels is er in dit patriarchale systeem natuurlijk wel enige verandering gekomen. Enkele van de ergste uitwassen zijn verwijderd, maar in principe leeft het tot de dag van vandaag voort - en vrouwen beseffen dat ook. Veel mannen noemen het ook nu nog ‘normaal’ en onvermijdelijk. Als bewijs komen zij met allerlei historische en antropologische feiten, waaruit zou moeten blijken dat het patriarchale systeem al sinds mensenheugenis heeft bestaan. Maar in de afgelopen eeuw is dit idee door verschillende geleerden in twijfel getrokken. Zij beweerden dat in een ver verleden de hele mensheid onder een vriendelijker, humaner matriarchaat (‘moederbestuur’) heeft geleefd en dat onze patriarchale cultuur in wezen alleen maar een betreurenswaardige afwijking is van de normale gang van zaken. Wij hoeven in deze controverse geen standpunt te bepalen, hoewel de eerlijkheid ons gebiedt te zeggen dat tot dusverre geen definitief bewijs gevonden is voor het bestaan, vroeger of nu, van een matriarchaal systeem. Wat wel gevonden is zijn een aantal matrilineaire systemen, dat wil zeggen systemen waarin de familielijn via de moeder loopt. Zonder twijfel geeft dit de vrouw een zekere status, maar het hoeft niet te betekenen dat zij in maatschappelijk opzicht de belangrijkste positie innam. Een maatschappij kan tegelijk matrilineair en patriarchaal zijn.

SCHOONHEIDSWEDSTRIJDEN

Sedert de oudheid zijn er bij vele volken zowel voor mannen als voor vrouwen schoon- heidswedstrijden georganiseerd.
Het Parisoordeel (boven) De eerste en bekendste schoonheidswedstrijd in de westerse beschaving is die tussen de godinnen Hera, Athene en Aphrodite geweest, die de herder Paris als scheidsrechter hadden aangewezen. Zij probeerden hem op tal van manieren om te kopen, omdat hij op basis van alleen hun uiterlijk niet tot een beslissing kon komen. Tenslotte besliste hij ten gunste van Aphrodite, die hem de liefde belooft van Helena, de vrouw van Menelaos, koning van Sparta, en de mooiste vrouw ter wereld. En zo leidde het Parisoordeel tenslotte tot de Trojaanse oorlog. Het schilderij is van Rubens.

Het vrouweneiland (onder) In deze rolschildering van Hiroshige, een Japanse kunstenaar uit de 19e eeuw, wordt het seksuele aspect van schoonheidswedstrijden benadrukt. De schildering geeft het verhaal weer van de drie vissers die schipbreuk hadden geleden op een eiland waar alleen vrouwen woonden. Hier worden zij door de heerseres van het eiland die een van hen tot haar minnaar wil kiezen, geïnspecteerd.


Toch hadden die vroeger vrij veel voorkomende matrilineaire systemen wel iets wat ook voor ons van belang kan zijn: het is veel gemakkelijker, veel ‘normaler’ en juister, om de familielijn via de moeder te laten lopen dan via de vader. Het is altijd zeker wie de moeder van een kind is; wie de vader is kan moeilijker na te gaan zijn. Hieruit volgt dat een patrilineair systeem alleen kan werken als de vrouw zó sterk wordt gecontroleerd dat al haar zwangerschappen te verklaren zijn. In ideale omstandigheden gaat zij dan ook als maagd het huwelijk in en blijft haar echtgenoot altijd trouw. Voor- en buitenechtelijke verhoudingen doen haar man twijfelen aan het vaderschap van zijn kinderen. Officieel en wettig is hij hun vader, maar hun biologische vader hoeft hij niet te zijn. Niet in iedere maatschappij is het biologisch vaderschap voor de echtgenoot zo belangrijk en neemt hij geen genoegen met alleen de officiële vaderrol, maar in vrij veel maatschappijen, ook in de onze, heeft de man van oudsher alleen ‘zijn eigen vlees en bloed’ willen grootbrengen. Die zekerheid kon hij alleen krijgen als hij zijn vrouw geen seksuele vrijheid liet. Het gevolg is geweest dat onze seksuele wetten en morele normen voor vrouwen altijd strenger waren dan voor mannen.

Merkwaardig genoeg zijn er volken geweest (sommige tot in het begin van de 20e eeuw), die niet wisten dat een zwangerschap het gevolg was van een seksueel contact. Voor hen bestond het hele punt van het biologische vaderschap dan ook niet. Bij deze volken dacht men dat een vrouw zwanger werd wanneer een geest haar lichaam binnenging terwijl zij bijvoorbeeld aan het zwemmen of baden was. Anders gezegd, voor deze mensen hadden seksualiteit en voortplanting niets met elkaar te maken, hoewel bij één stam het idee leefde dat een man de groeiende foetus met zijn zaad via de vagina van de vrouw moest voeden.

Op welk moment in zijn ontwikkeling de menselijke geest het verband heeft gelegd tussen coïtus en zwangerschap is niet bekend, maar we mogen aannemen dat dit in de meeste maatschappijen zeer lang geleden is gebeurd. Ook weten wij dat iedere maatschappij aan deze ontdekking zijn eigen conclusies verbond. Soms werd gedacht dat de vrouw bij de voortplanting de hoofdrol had ‘omdat alleen vrouwen dingen kunnen laten groeien’. De man had dan ook alleen de taak van helper, die de zaken op gang moest helpen. In andere maatschappijen werden beide seksen van evenveel belang geacht, of werd de mannelijke bijdrage als essentieel gezien. In onze westerse maatschappij won uiteindelijk die laatste visie het. Het lichaam van de vrouw ging men louter als ‘opvang’ zien voor het scheppende vocht van de man. Vrouwen waren de aarde waarin mannen hun zaad plantten.

Vrouwen kregen dus al spoedig een tweederangs- positie toebedeeld. Hun kinderen waren niet echt van hen, maar van hun mannelijke ‘bevruchters’, net zoals de graanoogst toebehoorde aan de boer die het gezaaid had, niet aan het veld. Er is zelfs een tijd geweest waarin gedacht werd dat een druppel zaad een minuscuul, maar volledig compleet menselijk wezentje bevatte, een homunculus, dat, na in de moederschoot te zijn gedeponeerd, daar gewoon verder uitgroeide, als een bloem in een bloembed. In elk geval was de vrouw in het hele voortplantingsproces nooit veel meer dan een passieve draagster. Ze bracht het leven alleen groot, scheppen deed ze het niet. De eigenlijke schepper was de man.

Deze verschuiving in het algemene denken kwam natuurlijk ook in de religie tot uiting. Oorspronkelijk hadden de meeste volkeren in de oudheid een of andere ‘aartsmoeder’ vereerd, een bezielende godin van de wedergeboorte en de vruchtbaarheid; in Babylonië was dat Ishtar, in Fenicië Astarte, in Frygië Cybele, en in Egypte Isis. Maar geleidelijk aan werden de functies van deze hoog vereerde godinnen overgenomen door mannelijke tegenhangers. Zo ontstond bij de nomaden in het oude Israël een nieuw geloof dat later in het christendom werd opgenomen en daarmee voor de hele westerse geschiedenis van grote betekenis werd: het geloof in de mannelijke god Jahweh, die de wereld schiep en Adam, de eerste mens. Ook schiep hij, uit een rib van Adam, de vrouw Eva, die zijn metgezel moest zijn. Maar zij liet zich door de slang verleiden en veroorzaakte zo Adams val.

Toen haar scheppende rol haar was ontnomen en zij verantwoordelijk was gesteld voor de erfzonde, was de lage sociale status van de vrouw natuurlijk volledig gerechtvaardigd. In het oude Israël noemde een vrouw haar echtgenoot ‘heer’ (‘adön’) of ‘meester’ (ba’al). Hij kon haar verstoten, zij had dat recht niet en bleef in feite haar leven lang een ondergeschikte. In de tien geboden worden vrouwen tot de mannelijke bezittingen gerekend. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in een oud joods gebed mannen God smeekten: ‘... laat mijn nakomelingschap geen dochter zijn, want het leven der vrouw is zeer ellendig;’ en verheugd baden zij dagelijks: ‘Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der Wereld, die mij niet tot vrouw hebt gemaakt.’

In het oude Griekenland verging het de vrouw al niet veel beter. In vroegere heldentijden hadden Griekse vrouwen nog een zekere mate van onafhankelijkheid genoten, maar rond de tijd van Pericles (5e eeuw v. Chr.) was hun positie ongeveer gelijk geworden aan die van een huisslaaf. De militairistische staat Sparta vormde een uitzondering, daar hadden vrouwen bepaalde privileges, maar, net als de mannen, waren zij onderworpen aan een levenslang totalitair regime. In de Romeinse republiek werden vrouwen ook door hun vader of echtgenoot overheerst, tot zij, ten tijde van de keizers, wat meer rechten kregen. Toen Europa zich tot het christendom bekeerde, leverde dat de vrouwen niet meer vrijheid op. Wat betreft huwelijk en echtscheiding ontnam dit geloof hun zelfs bepaalde rechten. Alleen in enkele ‘barbaarse’ landen in het noorden van Europa bracht de kerk meer gelijkheid tussen de seksen. Maar in principe bleef de vrouw toch inferieur. Zij werd in de kerk gerespecteerd en was er welkom, zolang zij zich ‘ingetogen’ en ‘betamelijk’ gedroeg, maar recht van spreken had zij niet. Dat hadden vrouwen trouwens in de hele staat niet. De apostel Paulus zei het als volgt: ‘Welnu, ik wil, dat gij wél bedenkt: het hoofd van iederen man is Christus; het hoofd van de vrouw is de man (...) daar hij het evenbeeld is en de glorie van God; maar de vrouw is de glorie van de man. Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw is uit de man.’ (I Kor. 11:3-9). En Paulus vervolgde: ‘... moeten de vrouwen in de bijeenkomsten zwijgen; Want het is haar taak niet, te spreken; maar ze moeten onderdanig zijn, zoals de Wet het ook zegt. En wanneer ze inlichtingen verlangen, dan moeten ze thuis haar eigen man er naar vragen. Want het is voor een vrouw onbetamelijk, in de kerk het woord te voeren.’ (I Kor. 14:34-35).

SEKSUELE OVERHEERSING
Hoewel het in feite vrijwel altijd de man is geweest die de vrouw overheerste, is onze kunst rijk aan zeer sprekende voorheelden van zowel mannelijke als vrouwelijke overheersing.
Deze 16e eeuwse houtsnede door Hans Baldung Grien beeldt de beroemde anekdote uit van de filosoof Aristóteles, die voor paardje speelt met de prostituée Phyllis. In de literatuur van vele culturen komt het thema voor van de wijsheid die door de schoonheid wordt bespot en vernederd.

Het christendom sloot vrouwen dus uit van het priesterambt en andere kerkelijke functies, dit in tegenstelling tot vele ‘heidense’ godsdiensten van vroeger. Ook werd van hen verwacht dat zij thuis hun mannen onderdanig waren. De enige, en vrij laat gekomen concessie van de kerk aan het vrouwelijk geslacht was de Mariaverering, die in de middeleeuwen tot bloei kwam. Maria, onbezoedeld door seksuele ervaring, heeft als draagster van

Gods zoon gefungeerd. Op die wijze had zij bijgedragen tot redding van de mensheid en had zij Eva’s schuld gedeeltelijk gecompenseerd. In de ogen van de gelovigen gaf dit de vrouw een nieuwe waardigheid. De vrouwelijke mystiek werd bovendien nog bevorderd door het ontstaan van de hoofse liefde en de opkomst van de ridderlijkheid. In liederen en gedichten bezongen de troubadours en andere mannen die daar gevoelig voor waren de deugden van hun edele, kuise en meestal onbereikbare geliefden. Maar zowel de maagd Maria als de ‘edele geliefde’ van de middeleeuwse dichters stonden voor trouw, kuisheid en bezit en symboliseerden dus alleen de passieve kant van de vrouwelijke staat. De actieve, zelfbewuste, zinnelijke kant werd vertegenwoordigd door het beeld van de vrouw als verleidster, een seksueel onverzadigbaar dier dat haar slachtoffers van alle levenssappen beroofde en hen naar de eeuwige verdoemenis voerde. Ook in dit opzicht verschafte de bijbel, en met name het Oude Testament, het juiste inzicht. Christelijke vrouwenhaters citeerden instemmend de Prediker: ‘En ik vond een bitterder ding dan de dood: ene vrouw, welker hart netten en garen en hare handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.’ (Pred. 7:26).

Deze angst voor vrouwen groeide tenslotte uit tot openlijke vijandschap. Steeds meer vrouwen werden ervan beschuldigd een pact met de duivel te hebben gesloten. Zij werden gemarteld tot zij bekenden en werden vervolgens als heks verbrand, opgehangen of verdronken. In 1486 verklaarden de dominicaanse monniken Jakob Sprenger en Heinrich Kramer in hun boek over hekserij Malleus Maleficarum (De Heksenhamer): ‘Wat anders is een vrouw dan een vijand van de vriendschap, een onontkoombare straf, een noodzakelijk kwaad, een natuurlijke verzoeking,... een natuurlijk kwaad met fraaie kleuren beschilderd!... Geestelijk zijn vrouwen als kinderen ... de natuurlijke reden hiervoor is dat de vrouw zinnelijker is dan de man ... En bedenk wel dat de vorming van de eerste vrouw een gebrek had, want zij werd uit een gebogen rib gevormd, een rib uit de borstkas, als het ware gebogen in tegengestelde richting van de man. En aangezien zij door dit gebrek een onvolmaakt dier is, moet zij altijd bedriegen ... Vrouwen hebben ook een slecht geheugen; en hun ongedisci- plineerdheid is een natuurlijke ondeugd.’ In zowel katholieke als protestante landen duurde de heksenvervolging een paar eeuwen en kostte aan duizenden vrouwen het leven. Pas ten tijde van de Verlichting verdween de angst voor vrouwelijke hekserij en spookte deze niet langer door de geest van de christelijke man. (Zie ook ‘Aangepast gedrag en afwijkend gedrag, Gezond-ziek’).

.De ‘verlichte’ filosofen en schrijvers van de 18e eeuw probeerden het beeld van de vrouw weer wat te vermenselijken. Zij beschouwden de vrouw niet als een onbevlekte heilige of als een duivelse verleidster, maar meer als een aardige, bruikbare kameraad. Zij bewonderden haar en waren hoffelijk, hoewel slechts zeer weinigen haar als hun gelijke beschouwden. In feite vertolkte Jean-Jacques Rousseau de mening van zeer veel mannen uit zijn tijd toen hij in Emile (1762) schreef: ‘De man moet sterk zijn en actief; de vrouw... zwak en passief ... De natuur zelf heeft bepaald dat een vrouw aan het oordeel van de man is overgeleverd ... Grote prestaties zijn voor haar onbereikbaar, en voor succes in de exacte wetenschappen mist zij de accuratesse en oplettendheid ... De ongelijkheid van de door de mens vervaardigde wetten ... is niet het werk van de mens, of is in ieder geval niet het resultaat van louter bevooroordeeldheid, maar is het resultaat van de ratio.’ In feite verschilde deze mening over het vrouwelijk intellect niet zo heel veel van die van de vroegere heksenvervolgers. Rousseaus ‘natuur’ en ‘ratio’ waren in geen enkel opzicht natuurlijker en rationeler dan zij in de middeleeuwen waren geweest.

In genoemd tijdperk zagen mannen geen enkele aanleiding om de dubbele moraal op te geven. James Boswell herinnerde er in zijn boek Life oj Samuel Johnson (1791) dan ook aan hoe laatstgenoemde bij het bespreken van overspel ontegenzeggelijk opkwam voor het patriarchale en patrilineaire systeem: ‘Kern van het misdrijf is de onzekerheid omtrent het nageslacht; en daarom is een vrouw die haar huwelijksgelofte breekt veel misdadiger dan een man die dat doet.’ Aan de andere kant dacht Dr. Johnson dat het voor vrouwen gemakkelijker was om trouw te zijn, omdat hun seksuele noden minder groot waren. Het kon niet anders of vrouwen waren deugdzamer dan mannen want, zoals hij eens tegen Boswell opmerkte: ‘Vrouwen staan niet aan dezelfde verleidingen bloot als wij: zij verkeren altijd in deugdzaam gezelschap; een man moet er op uit in de wereld zonder dat hij kieskeurig kan zijn.’

Dr. Johnson was natuurlijk op en top een burgerman en zijn opmerking over het minder in de verleiding komen van vrouwen was in die tijd tot op zekere hoogte juist. In toenemende mate sloot de opkomende bourgeoisie de vrouw in haar huis op en hield ook de dochters binnen, om hen te beschermen tegen invloeden van buitenaf. Het gezinsleven werd intiemer en selecter. Buitenstaanders werd verzocht de privacy van het gezin en de ‘onschendbaarheid van de huiselijke haard” te respecteren. Hierdoor werden vrouwen onzelfstandiger en huiselijker dan ooit tevoren. In de volgende eeuw werd hun leven zo kleinschalig dat zij vaak de indruk gaven hele beperkte, onbekwame en kille wezens te zijn. En zo ging men vrouwen, volledig in tegenstelling tot het beeld dat men vroeger van hen had gehad, uiteindelijk als minder ‘zinnelijk’ dan mannen beschouwen. Zonder angst op tegenspraak te zullen stuiten, verzekerde de Victoriaan- de, Britse ‘seksuoloog’ Sir William Acton, in zijn onderzoek The Function and Disorders of the Reproductive Organs (1875), zijn mannelijke lezers dan ook: ‘... de meeste vrouwen (gelukkig voor onze samenleving) hebben weinig hinder van enig seksueel gevoel ... De beste moeders, echtgenotes en huishoudsters weten weinig of niets van seksuele genoegens. Liefde voor hun gezin, hun kinderen en hun huishouden zijn hun enige passies.’

Niet alleen de mannen, ook veel vrouwen in het

Victoriaanse tijdperk accepteerden deze ‘wetenschappelijke’ visie ongetwijfeld als juist. Als zij zelf niet volledig in dit beeld pasten dan zochten zij de fout bij zichzelf en probeerden die te verbeteren, of tenminste verborgen te houden.

Maar deze seksuele onderdrukking en zelfrestnctie maakten ook veel mensen ongelukkig en zelfs ziek, zoals tegen het einde van de eeuw bleek uit het grote aantal gevallen van ‘hysterie’ bij vrouwen. Buiten de sfeer van de seksualiteit waren een aantal vrouwen uit de middenklassen echter al meer eisen gaan stellen. De Franse Revolutie van 1789 had vrouwen hoop gegeven op volledige gelijkheid voor de wet, en hoewel deze hoop tenslotte niet bewaarheid werd, had een aantal feministen de strijd voor het vrouwenkiesrecht voortgezet. In Actons tijd was die strijd zowel in Europa als in Amerika al flink aan de gang. De meeste ‘suffragettes’ waren hele ‘nette’ en ‘fatsoenlijke’ vrouwen, maar namen niet langer genoegen met alleen een plaats in het huishouden. En daarin stonden zij niet alleen. Naarmate steeds meer vrouwen politiek bewust werden, gingen zij hun ondergeschikte positie afwijzen. Dat maakte weer dat zij gingen beseffen dat er niet alleen aan de maatschappelijke discriminatie, maar ook aan de dubbele moraal een eind moest komen, dat zowel mannen als vrouwen daar beter van zouden worden. Vrouwen gingen inzien dat er geen werkelijke politieke, economische en seksuele moraliteit kon zijn, zolang zij niet volledig geëmancipeerd waren. De strijd tegen de ongelijkheid tussen man en vrouw werd dus een strijd voor 17e eeuwse houtsnede waarin de vrijwel absolute, door de wetten van die tijd gesanctioneerde, macht van mannen o- ver hun vrouwen wordt gehekeld.

Deze afbeelding is ook om twee andere redenen interessant :

1. Zij toont het interieur vaneen 17e eeuws‘groot huis’ met open kamers waarin alles gebeurde, en diverse bezigheden als koken, kaarten, spinnen, wiegen en bezoek ontvangen (zie ook blz. 318).

2. Voorts laat de afbeelding zien dat vrouwen in vroeger eeuwen geen onderbroek droegen.

een rechtvaardiger, menselijker maatschappij. Door zichzelf vrij te maken zouden vrouwen tegelijk hun onderdrukkers bevrijden. Dit feministische beginsel werd in de loop der jaren steeds opnieuw benadrukt, maar is misschien het best geformuleerd door de Franse utopische socialist Fourier, die in het begin van de 19e eeuw zei: ‘De mate van vrouwenemancipatie is de natuurlijke graadmeter voor de mate van emancipatie in het algemeen.’

[Sex Atlas] [Inhoud] [Wrd. voor. - bewerkers] [Inleiding] [I - Het mensel. lichaam] [II - Seksueel gedrag] [III - Seks. en maatsch.] [De sociale rol] [Aangepast - afwijkend] [Huwelijk en gezin] [De onderdrukten] [De 'seksuele revolutie'] [Seksueel slang] [Instanties en groepen] [Literatuurlijst]